Algemeen
Deze leidraad beschrijft de opbouw van de dressuurproeven
(F-proeven) en de Caprilli-proeven (C-proeven) en hoe diverse
onderdelen beoordeeld moeten worden. Dit kan namelijk per proef
verschillen.
Dressuur – specifieke onderdelen per proef
Proef F1:
• lichtrijden op juiste been niet beoordelen, maar wel aangeven: de
juryleden dienen dus hiervoor geen punten in mindering te brengen,
maar wel per onderdeel er bij te vermelden: verkeerde been
• het groeten wordt als apart onderdeel beoordeeld
Proef F2:
• lichtrijden op juiste been niet beoordelen, maar wel aangeven: de
juryleden dienen dus hiervoor geen punten in mindering te brengen,
maar wel per onderdeel er bij te vermelden: verkeerde been
• onderdeel: teugels langer laten worden (hals laten strekken).
Hierbij dient de ruiter de teugels helemaal lang te maken, handen
aan weerszijde naast de gesp (midden van de teugel). Hals strekken
dus niet beoordelen onderdeel: teugels op maat maken. Beoordelen of
de teugels op de correcte wijze op maat worden gebracht.
Voorkeur: “doorhalen”, eventueel mag vervolgens van buiten naar
binnen de teugels op maat maken. Onder “doorhalen” wordt verstaan
met de rechterhand de teugel met de gesp ophalen en de teugels door
de linkerhand laten glijden
• het groeten wordt apart beoordeeld
Proef F3:
• vanaf de F3 wordt het lichtrijden op het verkeerde been per
onderdeel door de jury beoordeeld. Het wordt verwerkt in de totale
beoordeling per onderdeel en niet los als strafpunt genoteerd
• onderdeel: teugels langer laten worden (hals laten strekken).
Hierbij dient de ruiter de teugels lang te maken, teugels mogen in
een boogje. Hals strekken dus niet beoordelen
• onderdeel: teugels op maat maken. Beoordelen of de teugels op de
correcte wijze op maat worden gebracht.
Voorkeur: “doorhalen”, eventueel mag vervolgens van buiten naar
binnen de teugels op maat maken
• vanaf F3 wordt vrije stap beoordeeld
Proef F4:
• vanaf deze proef moet de ruiter het paard enkele passen de draf
laten verruimen. Het zichtbare verschil tussen basistempo en het
verruimen wordt beoordeeld. Het mag een combinatie zijn van
tempotoename en verruimen
Proef F5:
• het doorzitten ook bij punt 27 meenemen. Bijvoorbeeld nog te
weinig balans bij het doorzitten, of stiller zitten
Proef F6:
• vanaf deze proef moet halsstrekken getoond worden. De teugellengte
neemt toe en de ruiter brengt de hand richting de mond van het
paard. Het paard brengt vervolgens zijn hoofd richting zijn
voorknie. De ruiter bewaart het contact met de paardenmond
Proef F7:
• vanaf deze proef: enkele passen middendraf, dit is dus meer dan
verruimen. Er moet zichtbaar verschil waar te nemen zijn in de
paslengte
Proef F9:
• vanaf deze proef: hele diagonaal middendraf en de overgang naar
arbeidsdraf apart onderdeel
Beoordeling paard en ruiter
De primaire beoordeling bij de FNRS-proeven is gericht op de wijze
waarop de ruiter hulpen geeft. Gelet op de figuren die gereden
moeten worden is het bij de proeven vanaf F9 soms niet te voorkomen
dat (de nageeflijkheid van) het paard mede beoordeeld wordt. Doordat
de onderste tien punten bij iedere proef hetzelfde zijn, blijft het
zwaarte punt in de beoordeling te allen tijde gebaseerd op de wijze
van rijden van de ruiter.
Proef F11/ F12:
• wijken voor het linker/rechter been 5m: daarna recht voorwaarts
richting korte zijde. Het paard moet in een denkbeeldige diagonale
lijn parallel aan de hoefslag voorwaarts-zijwaarts gaan, waarbij de
achterhand niet voor de voorhand mag komen
• achterwaarts gaan met een diagonale beentact
DRESSUUR - onderdelen die in iedere proef terugkeren:
Rijbaan verlaten in vrije stap
• lange teugel tot (in ieder geval) de eerste letter na het passeren
van de hoek
• de ruiter dient na het groeten een rechte lijn te rijden naar de
C. Daarna mag naar voorkeur van de manegehouder de rijbaan verlaten
worden
Afstijgen
• na het afstijgen dienen de beugels opgestoken te worden. Indien er
een slag in de beugelriem zit mogen beugels over het zadel gelegd
worden.
Begeleiden van paard/pony
• het paard begeleiden kan op twee manieren:
- de teugel over het hoofd doen het uiteinde in de linkerhand
vasthouden en met de rechterhand ongeveer 10 cm nabij de paardenmond
- de teugel over de hals laten zitten en de wijsvinger tussen de
teugels houden
• de ruiter begeleidt het paard/de pony te allen tijde links van het
paard
Van been wisselen
• indien een ruiter op het verkeerde been lichtrijdt, dient dit
vanaf de F3 bestraft te worden in het betreffende punt zelf
(bijvoorbeeld voor onderdeel 13 een 7 i.p.v. een 8) en niet met een
strafpunt (-1)
• tijdens het van hand veranderen in draf, dient de ruiter voor het
eind van de diagonaal van been te wisselen indien de ruiter aan het
eind van de diagonaal moet doorzitten, hoeft er niet van been
gewisseld te worden
Vergissing in proef
• bij een vergissing in de proef dient het FNRS-jurylid in te
grijpen en de fout kenbaar te maken aan de ruiter. De ruiter krijgt
hiervoor strafpunten en dient door het FNRS-jurylid verzocht te
worden om het betreffende onderdeel opnieuw te rijden, zodat de jury
het onderdeel alsnog kan beoordelen. De hoogte van het aantal
strafpunten staat vastgelegd in artikel 10 van het
wedstrijdregelement
Ruiter komt buiten de ring
• indien een ruiter buiten de ring komt, dit kan bijvoorbeeld
gebeuren wanneer er een ring is uitgezet m.b.v. "letterbordjes”,
dient dit bestraft te worden als een vergissing in de proef (zie
artikel 10 wedstrijdreglement)